Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goddeloos

betekenis & definitie

GODDELOOS, bn. bw. (...loozer, -st), aan geen god (of goden) geloovende een goddeloos mensch, een atheïst;

— God niet dienende, en dus diep verdorven zij leven als ongeloovigen en goddeloozen;
— het grondsop is voor de goddeloozen, (scherts.! als men iemand het laatste van eene flesch uitschenkt (vgl. Ps. 75 9);
— eene goddelooze stad; een goddeloos leven leiden; goddelooze woorden; (ook) ter aanduiding van een hoogen graad: wat een goddeloos leven, een heidensch kabaal;
— bw. op zondige, misdadige wijze goddeloos handelen;
— in zeer hooge mate, gruwelijk: ik heb mij goddeloos verveeld; is hier alles goddeloos duur;
— tw. (als uitroep van verbazing) goddeloos wat een leven !