Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goddelijk

betekenis & definitie

GODDELIJK, bn. bvv. (-er, -st), de natuur van eene godheid hebbende: goddelijke wezens; onze goddelijke meester, Jezus; van, als van eene godheid: de goddelijke voorzienigheid; aan de Romeinsche keizers werd na hun dood goddelijke eer bewezen;

—wat de uiting van eene godheid is door goddelijke openbaring; het goddelijk Woord, de bijbel;
— een bedienaar des goddelijken Woords, een predikant;
— (R. K.) de goddelijke deugden, geloof, hoop en liefde, omdat ze onmiddellijk God betreflen en door Hem zijn ingegeven;
— door God gezonden of bezield een goddelijk dichter;
— door God verleend het goddelijk recht der Overheid; Rembrandts goddelijk genie;
— als van God, hemelsch, verrukkelijk: goddelijke muziek; wat een goddelijk weder; een goddelijk meisje,
— zeer gemeenzaam soms als bloote versterking: ga je goddelijken gooi, ga je goddelijken driehoek, ga uw gang, volg uw zin;
— bw. op goddelijke wijze de liefde, waarmede God ons godlijk wil beschenken;
— overheerlijk: zij zingt goddelijk; ’t is een goddelijk schoone avond.