Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gluren

betekenis & definitie

GLUREN, (gluurde, heeft gegluurd), ter sluik, met nieuwsgierigen, onderzoekenden blik kijken: om een hoekje gluren; zij gluurde door eene reet van de deur; hij gluurde over haar schouders;

— (fig.) komen uitkijken (inz. tusschen hoornen of gebladerte) de roode daken der huisjes gluurden uit het groen. GLURING, v. (-en).