Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glorie

betekenis & definitie

GLORIE, v roem. eer aardsche glorie, in glorie, in beroemdheid, in eere; hij stelt er zijne glorie in, de mooiste renpaarden te hebben; ik liet hem de glorie der overwinning; ook in tallooze samenst.; gloriebaan (de weg tot roem), gloriedaad (roemrijke daad), gloriekrans, gloriekroon, glorieteeken, gloriezucht (begeerte naar roem) enz. (enkele zijn opgenomen);

— het zich beroemen op iets vol glorie vertelde de knaap wat hij gedaan had;
— (Zuidn.) pronkzucht, trotschheid;

— (gloriën), iets om zich op te beroemen, roem sieraad zijn zoon is zijn glorie; hij is de glorie van zijn land;
— eer en prijs, heerlijkheid God, Wien alle glorie toekomt; glorie zij den Vader, en den Zoon, en den Heiligen' Geest;
— pracht, praal: in volle glorie, in vollen luister:
— hemelsche heerlijkheid wanneer gij nevens den troon des Heeren in eeuwige glorie zult gezeten zijn,
— (R. K.) stralenkrans, lichtkring om het hoofd van heiligen en hemelingen, aureool, nimbus de Maagd Maria wordt afgebeeld met eene glorie van gouden sterren;
— eene voorstelling van den geopenden hemel met God den Vader, Christus, de Engelen en de Gezaligden het kind Jezus in glorie.