Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glop

betekenis & definitie

GLOP, o. (-pen), (gew.) slop, nauwe doorgang tusschen twee hooge voorwerpen er is een glop tusschen die huizen;

— een doodloopende, nauwe steegs keerweer;
— een glop in het ijs zagen voor de veerboot, wanneer de rivier dichtgevroren is;
— open ruimte, gat: dit maakt een glop in mijne beurs een groot glop, een open. onbebouwd vak in eene rij huizen;
— hier is een glop in de historie, eene gaping, lacune. GLOPJE, o. (-s).