Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glimp

betekenis & definitie

GLIMP, m. (-en), flauw schijnsel, flikkering, vonk er is geen glimp van vernuft in zijn geschrijf te ontdekken; er lag een glimp van vergenoegdheid op haar gelaat, een zweem van vergenoegdheid;

— hij was al voorbij, maar ik zag nog een glimp van hem, ik zag hem nog net even;
— een schijnglans, een bedrieglijke schijn zich vergapen aan den valschen glimp; hij zocht vergeefs een glimp van waarschijnlijkheid aan zijn verhaal te geven;
— een glimp aan iets geven, iets anders voorstellen of doen voorkomen dan het werkelijk is verontschuldigingen en uitvluchten kunnen aan eene begane fout wel zekeren glimp geven, maar zij houdt daarom niet op eene fout te zijn;
— schijn, dekmantel, voorwendsel; onder een schoonen glimp van vriendschap; dit was slechts een glimp, om gelegenheid te vinden mij alleen te spreken. GLIMPJE, o. (-s).