Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glee

betekenis & definitie

GLEE, v. (-ën), dunne, gesleten, doorschemerende plek (in kleedingstukken of linnengoed): er is een glee in het tafellaken;

— (pijpenm.) kleine overliangsche scheur in eene Goudsche pijp, plek waar het laagje klei te dun is;
— (kuip.) gergel, kroos.