Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glashout

betekenis & definitie

GLASHOUT, o. (-en), (bouwk.) het kalf van een venster of eene deur met bovenlicht, de horizontale roede tusschen onder- en bovendorpel;

...HUIS, o. (...huizen), huis van glas, broeikas, wintertuin;
...HUT, v. (-ten), glasblazerij;
...ISOLATOR, m. (-en), glazen isolator.