Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glanzen

betekenis & definitie

GLANZEN, (glansde, heeft geglansd), stralen, flikkeren, flonkeren daarboven glanzen millioenen sterren;

— glimmen, blinken een glanzend geschuurde ketel; de vergulde koepeldaken glansden in het zonlicht; (fig.) zijn gelaat glansde van blijdschap; de vreugde glansde in ieders oog;
— glans aan iets geven, glad en glimmend maken (van weefsels, metalen, papier, buskruit, rijst, strijkgoed enz.): papier glanzen met een liksteen; geglansd katoen.