Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glaasje

betekenis & definitie

GLAASJE, o. (-s), een stukje glas bij het kienen legt men een glaasje op de nummers die opgelezen zijn; figuren leggen van gekleurde glaasjes;

— een klein glas, hetzij drink- of kijkglas: ten glaasje wijn drinken; onder een glaasje zitten, eene flesch samen ledigen;
— een liefhebber van een glaasje zijn van een glaasje houden, wel een glaasje lusten, veel van sterken drank houden;
— hij is afschaffer van de kleine glaasjes, hij heeft liever een groot dan een klein glas, ’t is een drinkebroer;
— een glaasje tot afscheid, op de valreep, aan den wagen, een laatste glaasje voor het vertrek;
— hij heeft (wat) te diep in het glaasje gekeken, (ook) hij heeft een glaasje op, hij is beschonken.