Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gissing

betekenis & definitie

GISSING, v. (-en), datgene wat gegist wordt, eene onderstelling het is niet meer dan eene gissing, eene bloote gissing, wier juistheid niet is te betoogen;

— zich in gissingen verdiepen allerlei mogelijkheden bedenken, stellen;
— oordeel zelf of mijne gissing gegrond is, of wat ik gis waarschijnlijk is;
— (in de wetenschap) eene gissing, eene conjectuur of eene hypothese. GISSINKJE, o. (-s)