Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gissen

betekenis & definitie

GISSEN, (giste, heeft gegist), de verschillende mogelijkheden overwegen, raden naar iets: wij kunnen naar de oorzaak gissen, die kennen doen wij echter niet; al pratende en gissende wat voor geluid het mocht zijn, kwamen wij bij het huis;

— (spr.) gissen doet missen, men kan licht mis raden;
— eene gevolgtrekking maken, vermoeden, raden een man van naar ik gis vijftig jaar; ik kan niet gissen wat ge bedoelt;
— (zeew.) een bestek gissen, uit een vroeger bestek en de gezeilde koersen en afstanden de plaats opmaken, waar een schip zich bevindt; evenzoo gegiste lengte, breedte enz.;
— gissen buiten boord, door waarneming van het schuim, dat langs het varende schip loopt, de vaart bij benadering bepalen.