Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gispen

betekenis & definitie

GISPEN, (gispte, heeft gegispt), (veroud.) met eene gisp slaan, geeselen (als strafoefening);

— (Zuidn. ) in het water slaan en het daardoor omhoog doen spatten hij gispte het water in mijn aanzicht; (ook) het gispt, van eene kortstondige regenbui;
— iemand of iets doorhalen, hekelen, laken: hij verdiende streng gegispt te worden; de redenaar gispte de dwaasheden van onzen tijd. GISPER, m. (-s),