Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Ginds

betekenis & definitie

GINDS, bw. ginder, daar ginds verheft zich een heuvel; wie loopt daar ginds ?

— ginds en weer, heen en weer, heen en terug; (gew.) hij is er maar ginds en weer geweest, een oogenblik, even.