Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gezwollen

betekenis & definitie

GEZWOLLEN, bn. (-er, -st, of meer-, meest-), (van lichaamsdeelen) opgezwollen, dik: gezwollen voeten, door veel te loopen, door koude, door waterzucht enz.;

haar oogleden waren rood en gezwollen van het weenen;
— (bouwk.) eene gezwollen spiraalrits, welker lijnen zich, als het ware zwellend, van elkaar verwijderen;
— (van muzikale tonen) vol, breed, krachtig;
— (van den stijl) hoogdravend, bombastisch. GEZWOLLENHEID, v. het dik of opgezet zijn; hoogdravendheid.