Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gewoonte

betekenis & definitie

GEWOONTE, v. (-n), wat men gewoon is, de toestand waarin men komt, door herhaaldelijk hetzelfde te ondervinden of te verrichten het is zijne gewoonte om vroeg naar bed te gaan; de macht, de kracht der gewoonte; een slaaf der gewoonte;

— (spr.) gewoonte is eene tweede natuur, wat men gewoon is, doet men haast van zelf, alsof het in onze natuur ligt;
— gewoonte maakt wet;
— eenmaal gedaan is nog geen gewoonte;
— het telkens doen van datgene, waaraan men gewoon is, hebbelijkheid, aanwensel: eene oude, eene ingewortelde gewoonte; eene goede, slechte, lastige gewoonte; gij moet u die gewoonte afleeren; hij heeft de gewoonte om op alles aanmerkingen te maken; hij doet het uit gewoonte; ouder gewoonte was hij weer te laat; tegen zijne gewoonte kwam hij niet ter vergadering;
— het gebruik hij is bekend met de gewoonten aan boord; eene oude vaderlandsche gewoonte; zeden en gewoonten; het is geen gewoonte om zijn hoed in de kamer op te houden; die gewoonte is afgeschaft; naar (of volgens) gewoonte, zooals gewoonlijk.