Gewicht betekenis & definitie

GEWICHT, o. (-en), zwaarte, grootte der zwaartekracht die op een lichaam werkt: het heeft een gewicht van 2KG.; — dat handschrift is zijn gewicht in goud waard, het is uiterst kostbaar; — die waar wordt bij het gewicht verkocht, in afgewogen hoeveelheden; — het doode gewicht, de emballage; — (hand.) goed gewicht, meer gewicht, doorslag; ook zekere korting als tegemoetkoming voor het inwegen; — (nat.) soortelijk (of specifiek) gewicht, de verhouding tusschen het gewicht van eene stof en die van een gelijk volumen water; — eene zware massa, last: de plank boog door ouder het gewicht; daar is gewicht aan !, dat is zwaar; — (spr.) kleine willen dragen groote gewichten weg, iem. kan veel, indien hij maar wil; — (fig.) zij ging gebogen onder het gewicht der smart; — het gewicht der jaren, de ouderdom; — een metalen of steenen voorwerp, dat eene bepaalde zwaarte heeft en dat men gebruikt om de zwaarte van andere voorwerpen te bepalen maten en gewichten; een gewicht van 25 kilo; — medicinaal gewicht, het stelsel van gewichten voor het afwegen van medicijnen; — (ook) een zwaar voorwerp, door welks zwaarte men andere lichamen in beweging brengt de gewichten eener klok; het gewicht van eene deur, waardoor deze dichtvalt; — (fig.) hij werpt zijn gewicht in de schaal, doet zijn invloed gelden; — dat legt gewicht in de schaal, dat geeft den doorslag; — GEWICHTJE, o. (-s); — gewichtigheid, belang: hij is doordrongen van het gewicht der zaak; die tijding was voor hem van groot gewicht; zijn antwoord is van het hoogste gewicht; — een man (een persoon) van gewicht, iem. van invloed, van gezag; — eene zaak (een punt) van gewicht, iets belangrijks; — gewicht aan iets hechten, waarde hechten, belang toekennen aan iets.

Laatst bijgewerkt 06-09-2018