Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gewicht

betekenis & definitie

GEWICHT, o. (-en), zwaarte, grootte der zwaartekracht die op een lichaam werkt: het heeft een gewicht van 2KG.;

dat handschrift is zijn gewicht in goud waard, het is uiterst kostbaar;
— die waar wordt bij het gewicht verkocht, in afgewogen hoeveelheden;
— het doode gewicht, de emballage;
— (hand.) goed gewicht, meer gewicht, doorslag; ook zekere korting als tegemoetkoming voor het inwegen;
— (nat.) soortelijk (of specifiek) gewicht, de verhouding tusschen het gewicht van eene stof en die van een gelijk volumen water;
— eene zware massa, last: de plank boog door ouder het gewicht; daar is gewicht aan !, dat is zwaar;
— (spr.) kleine willen dragen groote gewichten weg, iem. kan veel, indien hij maar wil;
— (fig.) zij ging gebogen onder het gewicht der smart;
— het gewicht der jaren, de ouderdom;
— een metalen of steenen voorwerp, dat eene bepaalde zwaarte heeft en dat men gebruikt om de zwaarte van andere voorwerpen te bepalen maten en gewichten; een gewicht van 25 kilo;
— medicinaal gewicht, het stelsel van gewichten voor het afwegen van medicijnen;
— (ook) een zwaar voorwerp, door welks zwaarte men andere lichamen in beweging brengt de gewichten eener klok; het gewicht van eene deur, waardoor deze dichtvalt;
— (fig.) hij werpt zijn gewicht in de schaal, doet zijn invloed gelden;
— dat legt gewicht in de schaal, dat geeft den doorslag;
— GEWICHTJE, o. (-s);
— gewichtigheid, belang: hij is doordrongen van het gewicht der zaak; die tijding was voor hem van groot gewicht; zijn antwoord is van het hoogste gewicht;
— een man (een persoon) van gewicht, iem. van invloed, van gezag;
— eene zaak (een punt) van gewicht, iets belangrijks;
— gewicht aan iets hechten, waarde hechten, belang toekennen aan iets.