Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Geweer

betekenis & definitie

GEWEER, o. (veroud.) wapentuig ter verdediging; in ’t geweer, onder de wapenen: de stad is in 't geweer; de troepen kwamen in ’t geweer, hij is in *t geweer gestorven, met de wapens in de hand;

blank geweer, alle wapens die geene vuurwapens zijn; (ook) getrokken sabel of degen;
— met verdekt geweer, met neerwaarts gerichte, onder den arm gedragen wapenen (ten teeken van rouw);
— , (...weren), (thans) een draagbaar vuurwapen, dat ongeveer 1,5 M. lang is het geweer gaat af; het geweer weigert, ketst; een geweer van groot, van klein kaliber, een geweer met wijden of met nauwen loop, en dus voor groote of voor kleine kogels bestemd; een dubbel geweer, met twee loopen.
GEWEERTJE, o. (-s), een klein geweer, als kinderspeelgoed.