Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Geur

betekenis & definitie

Het begrip geur heeft 2 verschillende betekenissen:

1. geur - GEUR, m. (-en), aangename reuk wat heeft die roos een heerlijken geur; zoete geuren;
— (fig.) iets in geuren en kleuren vertellen, iets verhalen met vermelding van alle bijzonderheden;
— er is geen geur of heerlijkheid aan, er is niets (geen smaak) aan; (fig.) (w. g.) in een geur van heiligheid, in een reuk van heiligheid. GEURTJE, o. (-s), reukje, parfum: hij heeft altijd zulke geurtjes bij zich;
— er is een geurtje aan. er is een luchtj„ aan, het lijkt niet zuiver.

2. geur - GEUR, znw. (w. g.) kuur, malle grap geuren in het hoofd krijgen.