Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gestadig

betekenis & definitie

GESTADIG, bn. bw. (-er, -st), ook m den vorm GESTAAG, zonder ophouden, voortdurend gestadige arbeid; hij verkeert in gestage zorg; het aantal nam gestadig toe;

— bestendig het weer is van den zomer al zeer gestadig; de markt was gestadig, er kwam geen verandering in de prijzen;
— met korte tusschenpoozen voortdurende, telkens herhaald: de gestadige koortsen hadden haar zeer verzwakt; dat gestadig spreken vermoeit; hij zag gestadig om;
— ( spr.) een gestadige jager vangt het wild (of wint het veld), de aanhouder wint;
— (Zuidn.) niet grillig, bezadigd, ernstig: een gestadig man. GESTADIGHEID, v. (w. g.) standvastigheid, bestendigheid, volharding. GESTADIGLIJK, bw. gestadig, voortdurend.