Geschil betekenis & definitie

GESCHIL, o. (-len), verschil, oneenigheid, twist tusschen twee partijen over een bepaald punt, zij hebben geschil; ik versta niets van politieke geschillen; een hangend geschil, een twist die nog onbeslist is; hij poogde het geschil bij te leggen (te beslechten), er een einde aan te maken, de partijen te verzoenen. GESCHILLETJE, o. (, s).