Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gerechtigheid

betekenis & definitie

GERECHTIGHEID, v. rechtvaardigheid (Lat. justitia) in gerechtigheid zul gij uw naaste richten; (bij persoonsverbeelding) de arm het zwaard der Gerechtigheid,

— het gerechtig zijn de gerechtigheid Gods, Zijne rechtvaardigheid (in tegenstelling van Zijne genade); zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid;,
— iemand gerechtigheid laten wedervaren, hem rechtvaardig behandelen hem of zijn werk de eer geven die er aan toekomt;

—. (...heden( (bijb.) uiting van gerechtigheid, goede werken als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, al zijne gerechtigheden, die hij gedaan heeft zullen niet gedacht worden;
— recht, privilege aloude cijnsen en gerechtigheden;
— het gebied waarbinnen zekere rechten en wetten van kracht zijn , binnen deze stad en hare gerechtigheid; vaartsgerechtigheid, de vaart met de daarbij behoorende dijken, jaagpaden enz.; weegsgerechtigheid, de weg met de daarbij behoorende aanschotten;
— (gew.) dat waarop men recht heeft: die slechte winkelierster geeft iemand nooit zijne gerechtigheid, wat hem toekomt, zooveel waar als hij hebben moet.