Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gepaard

betekenis & definitie

GEPAARD, bn. (van personen) in paren afgedeeld de gasten kwamen gepaard de feestzaal binnen;

gehuwd, tot één echtpaar vereenigd (ook van dieren, inz. van vogels, die met hun wijfje één nest bewonen);
— (nat. hist.) de gepaarde dennen-basterdrups, eene groengele rups, die twee aan twee aan de dennenaalden vreet;
— (plantk.) gepaarde bladeren, paarsgewijze, twee aan twee bij elkander geplaatst.