Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Genieten

betekenis & definitie

GENIETEN, (genoot, heeft genoten), ontvangen, het genot hebben van zij genieten vele voorrechten; hij genoot een salaris van f 1500 gulden; ik heb er nooit een cent voor genoten;

— (kooph.) waarde genoten (op wissels), het bedrag (is door mij) ontvangen hij geniet de vrucht van zijn arbeid; ik zal toonen, dat ik genoten weldaden weet te erkennen; hij genoot de eer naast de gastvrouw te worden geplaatst; zij heeft eene goede opvoeding genoten;
— in het genot van iets zijn, de voordeelen er van ontvangen, zich er in verlustigen eene goede gezondheid genieten, bij voortduring gezond zijn; slaap, rust, vrede genieten;
— iemands vertrouwen genieten, zich in zijn vertrouwen mogen verheugen;
— hij was juist bezig het middagmaal te genieten, met smaak te nuttigen;
— het leven (het goede des levens) genieten, gebruik maken van al wat het leven aangenaams oplevert;
— de schoonheden van een gedicht genieten, er genot van smaken;
— Huyghens is niet gemakkelijk te genieten, men moet zich inspannen om genot van zijne gedichten te hebben;
— aangename gewaarwordingen ondervinden, genot smaken 't was eene heerlijke reis, ik heb recht genoten; wij genoten van de heerlijke muziek; in stilte genieten; zij mochten slechts kort van elkander genieten.