Gepubliceerd op 06-09-2018

Genezen

betekenis & definitie

GENEZEN, (genas, heeft en is genezen), beter worden, herstellen, heelen (van eene ziekte, van wonden, enz.: hij is genezen, weer gezond zijn been genas spoedig; verdriet geneest door den tijd;

— (flg.) zij is nog niet van haar dwaasheid genezen, er nog niet van af, van bevrijd;
— beter maken, doen herstellen; geneesmeester genees u zelven, (scherts.) maak voor u zelf gebruik van den goeden raad dien gij anderen geeft:
— kinine geneest de koorts;
—iem. van eene onhebbelijkheid genezen, hem er van afhelpen. GENEZING, v. (-en).

< >