Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gelijken

betekenis & definitie

GELIJKEN, (geleek, heeft geleken), (in gewone taal lijken, lijken op) gelijk zijn (aan iem. of iets), geheel (er mede) overeenkomen, evenaren: geen naam, die dezen naam gelijkt of schooner in 't geschiedboek prijkt; doch wie gelijkt dien held in kracht en dapperheid !;

— in vele opzichten, of, in wekere mate overeenkomen de zieke geleek wel een geraamte; de wei gelijkt een groen tapijt; die jongen gelijkt (naar) zijn vader, heeft dezelfde karaktertrekken;
— zij gelijken op elkaar als twee druppels water, zij hebben zoo veel van elkander dat er niet het minste verschil te ontdekken valt;
— ze gelijkt sprekend op hare moeder; ook in toepassing op portretten: je gelijkt goed; dat portret is niet gelijkend;
— (Zuidn.) gelijken aan, gelijken op Vlaanderen geleek aan een gistenden vuurberg;
— wat (of heel wat) gelijken, er uitzien als iem. of iets van belang (maar alleen in schijn), uiterlijk wat vertoonen zijne kennis gelijkt heel wat, maar heeft niets om het lijf;
— ik zag niets dat naar huis of schuur geleek, ik zag schijn noch schaduw van een huis;
— het gelijkt er (in de verste verte) niet naar, het is volstrekt niet zoo;
— het begint er al mooi naar te gelijken., het begint er iets van te krijgen;
— het gelijkt (of lijkt) nergens naar, dat komt in ’t geheel niet te pas, is in de hoogste mate verkeerd of onbetamelijk zijn gedrag gelijkt nergens naar;
— dat opstel gelijkt naar niets, is een prul van de eerste soort;
— overeenstemmen met iemands lust, neiging, behoefte, hem aanstaan, bevallen: dat huis gelijkt mij net, past mij juist; dat zo'n mij wel, goed, best, slecht, allerminst gelijken;
— (dicht, ongewoon) gelijken bij of met, vergelijken de invloed, dien gij op mijn hart hebt, is nergens bij te gelijken; wel foei gelijkt gij hem met mij ?