Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gelden

betekenis & definitie

GELDEN, (gold, heeft gegolden), (van zaken die verkocht worden) dien prijs opbrengen, dien prijs kosten, kosten, de waarde hebben van het roggebrood, dat niet meer dan een stuiver mocht gelden, gold er thans zeven; (w. g.) doen verkrijgen herhaal die schoone lofrede straks voor de koningin, dat geldt u zeker een pensioen of een riddergoed;

— (van stoffelijke zaken) zulk eene waarde hebben als in de bepaling is uitgedrukt, zóóveel waard zijn; „zware stukken,” sprak hij, terwijl hij eene dubbele pistolet op de hand woog, „wat geldt zoo een !’;
— niets, luifel enz. gelden. niets of weinig bettekenen, uitrichten, baten;
— iets vermogen, iets beteekenen, gezag, kracht of invloed hebben, of wel. in een bepaald geval te pas komen, van toepassing zijn hier geldt des vorsten stem;
— (van wetten, regels, rechten, bewijzen, meeningen enz.) van kracht zijn, gezag hebben, heerschen, of wel, van toepassing zijn (t. w. in een bepaald geval) het frransche strafwetboek gold nog altijd in Nederland; die wet geldt hier niet; de meeste stemmen gelden; (in ’t algemeen): hetzelfde geldt van hem, is op hem van toepassing; die uitspraak zal wel niet alleen van Duitschland gelden;
— die worp (met den bal), die stoot (op het biljart) geldt niet, telt niet mee;
— gewaardeerd worden dat geldt hem meer dan rang of schat;
— goed en gaaf geldt meer dan rijk en slecht, wordt hooger geschat;
— niets (niet) gelden bij iemand, voor niets door hem geacht worden, geene waarde hebben in zijne oogen;
— zijn smaak gold voor onberispelijk, werd als zoodanig beschouwd;
— zijne stem gold daar voor niets, werd als nul en geener waarde aangemerkt;
— zijne macht (zijn gezag, zijn invloed enz.) doen (of laten) gelden, ze doen erkennen, ze feitelijk doen gevoelen;
— rechten, aanspraken, eischen enz. doen (of laten) gelden, ze doen erkennen, ze in hunne waarde en wettigheid doen eerbiedigen, (ook) er gebruik van maken, er gevolg aan geven;
— redenen doen (of laten) gelden, ze bijbrengen als wettige bewijsgronden of overredingsmiddelen; een bewijs, eene reden, aanmerking enz. (door een ander bijgebracht of gemaakt) loten gelden, als wettig erkennen, als gegrond aannemen;
— (van personen) zekere waarde hebbende in de schatting van anderen: geldt uw kas niet veel, dan geldt ge ook bij de wereld weinig, dan wordt ge weinig geacht of geëerd;
— zich doen gelden of laten gelden, zijn aanzien, gezag of invloed feitelijk doen gevoelen, (ook) zich aanstellen als een persoon van gewicht, een hoogen toon voeren; hij liet zich gelden alsof hij over alles meester was;
— (van vijandige handelingen of gezegden, gevaren, gesprekken, uitingen enz.) gericht zijn tegen, doelen op die zaak gold de eer van Zweden, Zweden’s eer was er mede gemoeid, stond er bij op ’t spel;
— die aanmerking geldt hem, doelt op hem, is op hem gemunt;
— het gold eene zaak van gewicht, betrof een hoogst belangrijk iets;
— (Zuidn.) betalen; als iedereen iets geldt is de som bijeen; ik heb nog iets te gelden bij den bakker;
— hij zal de gans gelden, (fig.) het duur moeten bekoopen.