Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Geestelijk

betekenis & definitie

GEESTELIJK, bn. bw. op den geest betrekking hebbende, het tegenovergestelde van stoffelijk vriendelijk is eene geheel zuivere, geestelijke, fijne zielsliefde;

— de geestelijke wetenschappen, de wetenschappen, die de kennis van den geest ten doel hebben;
— het tegenovergestelde van lichamelijk of zinnelijk hij was nederig en welwillend voor wie zijn geestelijk overwicht erkenden;
— geestelijk voedsel, voedsel voor den geest, het verstand, lectuur;
— met een geest bedeeld, onstoffelijk wij groeien niet alleen op als lichamelijke, maar ook als geestelijke wezens;
— in betrekking tot den geest gedacht, veelal in tegenstelling van vleeschelijk: zoo was hem dat volk meer dan een broederschaar, het was zijn geestelijk bloed;
— in de gedachten bestaande, in tegenstelling van werkelijk of stoffelijk: een geestelijk samenzijn, een samenzijn in den geest;
— (bijb.) (van zaken) op den geest of het goddelijk beginsel des christendoms betrekking hebbende: ijvert om de geestelijke gaven; dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;
— een geestelijk gezang of lied, een godsdienstig gezang of lied;
— van het goddelijk beginsel des christendoms doordrongen de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen;
— betrekking hebbende op ’s menschen denken, gevoelen en willen, in verband met zijne behoefte aan godsdienstige overdenkingen, het tegenovergestelde van wereldsch of aardsch de meeste uren van den dag en avond werden door hen aan geestelijke oefeningen gewijd;
— het geestelijke leven, het inwendige leven, de inkeering in zichzelven; haar geestelijk welzijn;
— het geestelijke, de zaken die den godsdienet betreffen;
— geestelijke lectuur, stichtelijke lectuur;
— aan de kerk behoorende, er aan gewijd enz., kerkelijk een geestelijk gesticht, goed enz.;
— de geestelijke ban, de kerkban, de excommunicatie, of wel, het interdict;
— het geestelijke recht, het kerkelijke of canonieke recht;
— een geestelijk persoon, een persoon die zich aan den dienst der kerk wijdt;
— een geestelijk heer, een geestelijke, inz. van hoogeren rang; (w. g.) een geestelijk man, een geestelijke; -
— eene geestelijke dochter, een vrouwelijk persoon die tot eene kerkelijke orde behoort
— geestelijke dames, vrouwelijke personen, die zich aan de kerk wijden;
— op de kerk en hare belangen betrekking hebbende, aan den dienst of de belangen der kerk gewijd, door de kerk ingesteld eene geestelijke broederschap of orde; een geestelijk gerechtshof; eene geestelijke ridderorde of ridderschap;
— de geestelijke staat of stand, de staat of stand van een geestelijk persoon, de priesterlijke staat of stand; gezamenlijke geestelijken, beschouwd als een afzonderlijken stand in de maatschappij, in tegenstelling van andere standen;
— het geestelijk kleed (gewaad), het priesterlijk kleed (gewaad);
— van de beteekenis of den zin van bijbelsche gezegden, uitdrukkingen enz.) in den geest er van liggende, maar van de letterlijke opvatting afwijkende;
— (bijb.) geestelijkeboosheden, boozegeesten;
— bw. (van omstandigheid) in betrekking tot den geest: wanneer de vrienden mij voor geestelijk doof houden, dan doen zij immers monnikenwerk;
— door middel of met behulp van den geest of het goddelijk beginsel des christendoms: de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des geestes Gods zijn, hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden;
—, bw. (van wijze): zinnebeeldig, in tegenoverstelling van letterlijk: de Schrift geestelijk uitleggen;
— geestelijk verheugd zijn, een weinig beschonken zijn.