Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Geducht

betekenis & definitie

GEDUCHT, bn. bw. (-er, -st), (van personen) gevreesd, of wel, te duchten of te vreezen, met zooveel macht of kracht voorzien of toegerust, dat men gevreesd wordt of te vreezen is, vrees of ontzag inboezemend, ontzagwekkend, ontzaglijk: een geducht medeminnaar; zijn geduchte tegenstander, Lodewijk X I; een geducht leger; de geduchte Armada;

— (van zaken) gevreesd, vreeselijk, verschrikkelijk, ontzaglijk het geducht en woest element der zee; het noodlot is geducht;
— er geducht uitzien, een ontzagwekkend voorkomen hebben;
— zijne geduchte vuist; een geduchte degen; eene geduchte stem;
— zijn naam geducht maken, zijn naam gevreesd maken, zoodat elk ontzag voor hem heeft;
—.
(van vermogen of hartstochten enz.) machtig in hare gevolgen of uitwerking geduchte wraak nemen;
— machtig: het geduchte Rome;
— vreeselijk, zeer groot: een geduchte ramp; een geducht onheil;
— op eene geduchte wijze, op eene ontzagwekkende, of wel, vreeselijke wijze;
— (van handelingen) geweldig iem. een geduchten slag geven; een geducht pak slaag krijgen; eene geduchte les ontvangen of geven, eene geweldige bestraffing ontvangen of geven; (ook fig.) (van voorvallen, gebeurtenissen, natuurverschijnselen enz., die op hevige of geweldige wijze plaats hebben) geweldig, hevig: eene geduchte omwenteling; eene geduchte aardbeving; onder eene geduchte regenbui;
— (van schade, nadeel, verliezen enz.) bijzonder groot, zwaar of erg: eene geduchte schade aanrichten; iem. een geducht nadeel toebrengen; door verschillende bankroeten heeft dit handelshuis eene geduchte schade geleden;
— geweldig groot, breed, diep enz. een geducht stuk touw; eene geduchte portie vleesch; wat een geducht end weg !; dat is een geduchte afstand; iem. van eene geduchte lengte;
— bw. (van wijze of graad) op eene geduchte, hetzij vreesverwekkende of vreeselijke wijze: zich geducht ten strijde toerusten; hij heeft zich geducht op zijne vijanden gewroken;
— op eene geduchte of geweldige wijze, of, in sterke mate: iem. geducht slaan; hij is voor zijne vermetelheid geducht gestraft; wat hebt ge ons geducht doen schrikken; geducht schreeuwen; geducht leelijk zijn; een geducht dikke kerel;
— in uitroepen, ter uitdrukking van verwondering, meestal met het bijbegrip van vrees en schrik geducht! wat dondert het daar !; wel geducht! wat ben jij mooi vandaag GEDUCHTHEID, v.