Gepubliceerd op 02-09-2018

Gedijen

betekenis & definitie

GEDIJEN, (gedijde, heeft en is gedijd), (van dieren, inz. vee) voorspoedig groeien, dikker, vetter of zwaarder worden de varkens gedijen niet op dien kost; (scherts.) (ook van menschen gezegd): je hebt een leventje als een prins, geen wonder dat je wel gedijt;

— (van planten) welig opgroeien: het graan gedijt hier goed; zou het koren niet beter gedijen als het land dieper omgeploegd was ?;
— (van personen) voorspoed hebben, welvaren die wel gedijt, die wordt genijd;
— (van geld of hetgeen dit vertegenwoordigt) door toe te nemen of vruchten op te leveren voordeel aanbrengen onze beste zeelui gingen uit ter kaapvaart, och, het geld zóó gewonnen, heeft nimmer gedijd; dat men zelf wint, gedijt best; onrechtvaardig goed gedijt (of bedijt) niet;
— (van handelszaken, bedrijven of dergelijke ondernemingen) bloeien, voordeel aanbrengen: de onderneming gedijde niet;
— (van voedsel in betrekking tot den persoon die het gebruikt) tot iemands groei, gezondheid of lichamelijken welstand bevorderlijk zijn: hij eet als een dijker, maar het wil bij hem niet gedijen;
— (van onstoffelijke zaken, inz. handelingen of ondernemingen) een goeden uitslag of gunstigen afloop hebben, gelukken zonder Hem gedijt geen moed. geene macht;
— strekken tot: tot eer, glorie, heil, nut, troost, voordeel gedijen; ten goede, ten nutte, ter zaligheid gedijen; tot schade, zonde gedijen; ten kwade gedijen.

< >