Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Geboren

betekenis & definitie

GEBOREN, vd. ter wereld gebracht of gebaard geboren worden; mij is een zoon geboren; (bijb.) een zoon zal den huize David geboren worden; waar zijt gij geboren ?; hij is te Amsterdam geboren; wanneer zijt gij geboren ?; blind, doofstom geboren zijn;

ik ben burger geboren; van geringe ouders geboren; uit een aanzienlijk geslacht geboren;
— een hengst uit edel ras geboren;
— een dichter wordt niet gemaakt, maar geboren, het dichten is eene gaaf, geen aangeleerde vaardigheid;
— wederom geboren worden, tot inkeer komen, het pad der zonde verlaten en een beter leven gaan leiden;
— (bijb.) uit stof geboren zijn, zinspeling op den stolïelijken en vergankelijken aard des lichaams;
— (bijb.) uit het vleesch geboren zijn, uit een vleeschelijk of stoffelijk levend wezen ter wereld gekomen zijn, in tegenstelling met uit den geest geboren zijn, door den geest Gods wedergeboren of bekeerd zijn;
— (bijb.) uit water en geest geboren zijn, na het ontvangen van den doop en den geest Gods wedergeboren of bekeerd zijn;
— (bijb.) uit God geboren zijn, t. w. in geestelijken zin, door Gods geest bekeerd en wedergeboren zijn, een kind Gods geworden zijn;
— in zekeren stand geboren zijn, van ouders, die tot dien stand behooren, geboren of afkomstig zijn;
— ergens geboren en getogen zijn, er ter wereld gebracht en opgevoed zijn;
— met den helm geboren zijn, met een vliesachtig omhulsel van het hoofd ter wereld gekomen zijn volgens het bijgeloof een voorteeken van geluk en voorspoed; ook wel met de macht begaafd, de toekomst te kunnen voorspellen;
— in zonden of in ongerechtigheid geboren, of wel, ontvangen en geboren zijn, als zondig en boos schepsel ter wereld gekomen, of wel, ontvangen en ter wereld gekomen zijn (naar het dogma der erfzonde);
— hij is tot heerscher, tot advocaat geboren, vertoont er eene bijzondere geschiktheid, aanleg voor;
— tot (voor) zekeren toestand geboren zijn, van de geboorte af door eene gunstige of ongunstige lotsbeschikking bestemd zijn om in dien toestand te verkeeren: de rnensch wordt tot moeite geboren; ik ben tot genieten geboren; (van zielshoedanigheden) de gevoeligheid wordt met ons geboren, is ons aangeboren;
— (van zielshoedanigheden, gewaarwordingen, hartstochten of toestanden van den geest of het gemoed) opkomen, ontstaan alleen uwe bekoorlijkheden waren in staat om in zijn hart eene eerlijke liefde ie doen geboren worden;
— de scheikunde is uit de alchimie geboren, voortgekomen;
— (dicht.) (van tijdseenheden of tijdruimten) aanbreken, verschijnen, komen: een betere tijd was toen geboren; de gelegenheid doen geboren worden;
— een geboren Nederlander, Amsterdammer, die in Nederland, in Amsterdam geboren is;
— een geboren dichter, iem. die van nature dichter is, iem. met een bijzonderen dichterlijken aanleg;
— dat boek is geboren misdruk, het zal weinig verkocht worden (wegens te hoogen prijs, weinig uitlokkenden inhoud enz.).