Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gebeuren

betekenis & definitie

GEBEUREN, (gebeurde, is gebeurd), het gewone woord in spreektaal en lossen schrijfstijl voor geschieden, voorvallen in welk een korten tijd zijn al die dingen gebeurd;

— dat zal nooit gebeuren daar zal niets van komen, het is onmogelijk, (of) ik zal het beletten, voor zoover ik kan;
— wat gebeurd is, is gebeurd, kan niet meer veranderd worden, laten wij er in berusten en er dus niet meer over spreken of aan denken;
— wat (er) ook gebeuren moge onder welke omstandigheden ook, in alle gevallen;
— er gebeurt iets (wat) of niets, er geschiedt iets (niets) bijzonders, er heeft iets (niets) buitengewoons plaats;
— als ware er niets gebeurd, als ware er niets bijzonders geschied, alsof de dingen hun gewonen loop hadden gehad;
— (Zuidn.) het gebeurende, dat wat gebeurt, inz. in iemands nabijheid, zoodat hij er middellijk of onmiddellijk bij betrokken is;
— het gebeurde vergeten, laten wat het is, enz., er niet meer aan denken, het uit zijne gedachten zetten, (bij uitbr.) doen, alsof het niet gebeurd ware;
— dingen die gebeuren zullen, toekomstige dingen;
— (Zuidn.) plaats hebben, plaats grijpen bij Ransbeek gebeurde de veldslag;
— overkomen (aan iem.), zoowel in ongunstige als gunstige opvatting: het zou u ook kunnen gebeuren; hij voorspelde de dingen, die ons gebeuren zouden; is er een ongeluk met den trein gebeurd ?
— het met iem. gebeurde, hetgeen hem overkomen is;
— (dicht) te beurt vallen, ten deel vallen, in gunstige opvatting: o wat geluk mag mij gebeuren !; mocht ook mij het heil gebeuren, dat zijn zang te beurte viel;
— gelukken, welslagen: of het mij gebeuren mocht, voor Nederlands verlossing een gedenkstuk te helpen oprichten.