Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Gebaren

betekenis & definitie

GEBAREN, (gebaarde (zich),heeft (zich) gebaard), (uitsluitend Zuidn.), zich aanstellen, op zekere wijze zich voordoen, te werk gaan ik zag hoe de kapitein voor den kolonel geweldig met armen en beenen gebaarde en zijne sabel ten gronde stiet; hij gebaarde zich als een uitzinnige;

— van iets gebaren, niets laten blijken, zich houden alsof men van eene of andere zaak niets af weet;
— hij gebaarde te slapen, veinsde te slapen, hield zich slapende;
— hij gebaart, dat hij ziek is, houdt zich ziek;
— zich gebaren (alsof, of), zich houden, doen als(of).