Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

2018-09-02

Gauw

betekenis & definitie

GAUW, bn. bw. (-er, -st), (van menschen of dieren) het vermogen bezittende om zich met snelheid te bewegen, vlug;

— iem. te gauw zijn, vlugger zijn dan hij; (ook) slimmer, behendiger zijn; (ook) iem. de loef afsteken;
— gauw als water, zeer vlug;
— vlug, gezwind, rap onderdanig, gauw en goed, dat is ’t parool;
— vlug, behendig, vaardig (in ‘t verrichten van iets); hij is niet een van de gauwsten;
— hij is gauw met de pen;
— een gauw vogel, een looze guit, een slimmerd;
— (w. g.) (van de hand) vlug, gezwind, behendig; inz. in het grijpen of vangen;
— (van het bloed) snel door de aderen stroomend, snel omloopend, inz. als het kenteeken van een opgewekt en levendig gestel, of als een gevolg van verschillende gemoedsaandoeningen, als onrust, gejaagdheid, opgewondenheid enz. ik kan niet wachten, geen lijdelijkheid het leven is er tekort en mijn bloed te gauw voor;
— bw. (van wijze) op eene vlugge, behendige wijze iets gauw in orde brengen; iem. gauw helpen; iets gauw vatten, raden enz.;
— spoedig, fluks gauw wegloopen; gauw spreken; gauw antwoorden;
— te gauw oordeelen, overijld oordeelen, een voorbarig oordeel vellen;
— zoo gauw niet niet zoo haastig zacht wat langzaam aan !;
— gauw of gauw gauw waarmede men iem. aanspoort of gelast spoed te maken,
— bw. (van tijd) binnen korten tijd ik hoop, dat gij maar gauw thuis komt; het kon eens heel gauw met mij gedaan zijn;
— zoo gauw, zoo spoedig, spoediger dan men wenscht of wel denken zou: jammer dat de pret zoo gauw voorbij is;
— zoo gauw
... niet, nauwelijks: zoo gauw had ik hem niet gezien, of ik herkende hem.