Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Gast

betekenis & definitie

Het begrip gast heeft 3 verschillende betekenissen:

1. gast - GAST, m. en v. (-en), iem. die, na daartoe uitgenoodigd te zijn, aan tafel medeëet; dien men feestelijk ontvangt; dien men gedurende eenigen tijd in zijn huis opneemt en huisvesting verleent, logeergast: gasten uitnoodigen, ontvangen, hebben;
— een welkome gast, dien men gaarne ontvangt; iem. dien men heeft uitgenoodigd ter bijwoning van eene uitvoering enz.: iemands gast zijn;
— een hooge gast, een aanzienlijk, voornaam persoon, als gast;
— een vreemde gast, vreemdeling dien men aan zijne tafel ontvangt of huisvest; (ook) iem. die zich buitensporig gedraagt;
— (spr.) ongenoode gasten zijn zelden welkom, of zet men buiten, achter de deur, wijst men de deur;
— te gast gaan, bij iem. gaan eten of feestvieren;
— die dikwijls te gast wil gaan, moet dikwijls nooden, (gew.) die ingast moet ook uitgasten;
— etende en dragende gasten, die ook nog mee naar huis nemen;
— op iets te gast gaan, er lekker van smullen , zijn hart er aan ophalen;
— je neus gaat daar te gast, het ruikt daar heerlijk;
— in de wereld te gast zijn, een aangenaam en gemakkelijk leventje hebben;
— (ergens) slecht te gast geweest zijn, (ergens) slecht onthaald zijn;
— wie gekken nodt (noodigt), heeft wisse gasten, wie gekken bij zich ontvangt, zich met dwazen inlaat, kan moeilijk van hen af komen;
— iemand die aan eene openbare tafel eet; iemand die eene herberg bezoekt, of wel, als vreemdeling in een logement zijn intrek neemt: de herberg was vol gasten; in ’t hotel waren zooveel gasten dat geen kamer meer te krijgen was:
— (spr.) zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten, men beoordeelt anderen naar zichzelven;
— vreemde, niet tot het vaste schouwburgpersoneel behoorende tooneelspeler (...speelster), die slechts tijdelijk in enkele rollen optreedt;
— jonkman, forsche kerel, flinke of ferme borst; een jonge gast, een jonge borst, een jong mensch;
— een kloeke, stoute, dappere, ondememende gast; een rappe, wakkere, flinke gast;
— een ruwe gast, een ruwe vent, die zich grof of lomp gedraagt;
— een wilde gast, wilde kerel, woesteling;
— een ongure gast, kerel die er gemeen, ruw uitziet of zoo optreedt;
— een slimme, sluwe, looze gast, slimme vos, sluwe vogel, leeperd;
— een losse, vroolijke gast, jolige vent;
— (in ’t bijz.) knecht van een ambachtsman of fabrikant, gezel, werkknecht, vooral in samenstelling als poldergast, polderjongen; spuitgast, bediener der brandspuit, enz.;
— (zeew.) knap, ervaren matroos, inz. in samenstellingen gebruikelijk: baardjesgast, bootsmansgast, bramzeilsgast, kabelgast, marsgast, ruimsgast, schiemansgast enz., matroos, geplaatst aan den bootsmans-, schiemans-, bootsmansmaats- of schiemansmaatsbak.
GASTJE, o. (-s).

2. gast - GAST, v. (-en) (in Gelderland), GARST (in Overijsel), KAS (in Zd. Limburg enz.) een vier- of zestal garven gemaaid graan, tegen elkander aan gezet om te drogen, een hok het koren staat al in de gasten; viertal, inz. van eieren.

3. gast - GAST, v. zie GEEST (2de art.).