Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

2018-09-02

Eerlijk

betekenis & definitie

EERLIJK, bn. bw. (-er, -st). van edele beginselen blijk gevende, oprecht, deugdzaam: een eerlijke jongen;

— een eerlijk man, die zich nooit misdragen heeft, rechtschapen;
— arm maar eerlijk, te vertrouwen, te goeder trouw jegens anderen;
— zoo eerlijk als goud, volkomen eerlijk;
— eene eerlijke meid, die niet steelt, niet liegt; (ook) die nooit onzedelijk is geweest;
— (van een paard) eerlijk en zonder gebreken, mak, vertrouwbaar;
— eene eerlijke behandeling, behoorlijk, zooals een eerlijk mensch verwachten mag, niet slinksch;
—billijk: dat is eerlijk;
— (spr.) eerlijk duurt het langst, met oprechtheid, met een goed gedrag komt men het verst;
— eerlijk is al lang dood, niemand is nog eerlijk
— fatsoenlijk, deftig: eene eerlijke begrafenis;
— iets eerlijk verdeelen, juist zooals het behoort;
— eerlijk met elkander omgaan, oprecht;
— *t is eerlijk waar, ik lieg niet; (ook gew.) eerlijks waar;
— (gew.) een eerlijksche vrijer, een echte;
— dat jongetje heeft al een eerlijksch horloge. EERLIJKHEID, v. zijne eerlijkheid is bekend;
— billijkheid de eerlijkheid gebiedt dat in aanmerking te nemen.