Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eenig

betekenis & definitie

EENIG, (onbep. telw. zelfst. en bijv.) een onbepaald (meestal klein) aantal, hoeveelheid aanduidende eeniqen beweren het, anderen ontkennen het;

— eenige vrienden van hem, niet alle vrienden;
— eenige kleedingstukken heeft hij gekocht;
— eenig geld, een weinig;
— eenige hoop hebben, een weinig;
— (onbep. voornw.) de een of ander, zeker;
— zonder eenige moeite, bij eenigen goeden wil; ik heb het niet aan eenig persoon medegedeeld, aan niemand;
— ten eenigen dage, op de een of anderen dag;
— zijn eenig kind, geen andere kinderen hebbende;
— eenige zoons behoefden vroeger geen soldaat te worden, die geen broers hebben;
— hij is de eenige die het kan, niemand anders dan hij;
— dat is mijne eenige hoop, ik heb geene andere;
— dat voorbeeld is eenig, geen tweede van dien aard is aan te wijzen;
—onvergelijkelijk, uniek: hij is eenig op zoo’n partij, niemand overtreft hem;
— een eenige vent is het; dat is eenig dat is eenig in zijne soort;
— (gew.) eensgezind ze zijn het eenig geworden, het eens geworden;
— (bw.) (gew.) hij woont er zoo eenig, eenzaam;
— eenig en alleen voor u heeft hij het gedaan, slechts voor u, zonder ander doel.