Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Echtelijk

betekenis & definitie

ECHTELIJK, bn. betrekking hebbende op den echt: echtelijk geluk, huwelijksgeluk; echtelijke plichten, huwelijksplichten; de echtelijke woning verlaten, die der echtelieden;

— de echtelijke staat, huwelijksstaat;
— echtelijke gemeenschap, omhelzing, die van man en vrouw;
— bw. (w. g.) wettiglijk, deugdelijk.