Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Duivel

betekenis & definitie

DUIVEL, m. (-en, -s). in de volkstaal ook DUVEL, (theologie en volksgeloof) gevallen engel, booze geest, voorgesteld als de oorzaak van het kwade, in ’t bijz. het opperhoofd dier geesten, Satan, Beëlzebub verzoeking van Christus door den duivel;

— (Zuidn.) iem, den duivel aandoen, hem erg kwellen;
— (naar de verschillende ondeugden), de duivel van den hoogmoed, den nijd enz.;
— (spr.) hij is van den duivel bezeten, de duivel werkt in hem, (fig.) hij is dol;
— den duivel inhebben, woedend zijn;
— daar speelt de duivel mee, daar heeft hij een handje in, dat is toch een drommelsch werk;
— de duivel zal de kaars houden, zal er zich mede bemoeien;
— den duivel aan iets gezien hebben, van iets niet willen weten, er een afkeer van, een schrik voor hebben
— den duivel gezien hebben, op de vlucht gaan;
— bij den duivel te biecht gaan, bij den vijand te rade gaan, aan hem een geheim verklappen, enz.;
— den duivel bannen, bezweren, uitdrijven;
— (spr.) men maakt den duivel altijd zwarter dan hij is, men schildert iem. (iets) altijd erger dan hij is;
— (spr.) als men van den duivel spreekt, trapt men op zijn staart, wanneer men over iem. spreekt dien men afwezig waant, komt hij juist;
— in den nood eet de duivel vliegen, in nood doet men alles;
— (Z. A.) hij is een duivel in het liegen, kan geweldig liegen;
— wie schuldig is, droomt van den duivel, zijn geweten plaagt hem;
— verder in tal van verzekeringen, verwenschingen, uitroepen de duivel kale mij, als ‘t niet waar is; loop naar den duivel; kom hier, voor den duivel; hij is te dom om voor den duivel te dansen, zeer dom; wat duivel !;
— de duivel met zijn grootje (plat: met zijn mallemoer);
— dat mag de duivel weten (ik weet het stellig niet);
— om den duivel niet, stellig niet; (vgl.) donder, drommel;
— een duivelachtig wezen hij is een duivel in menschengedaante; een slimme duivel;
— (ook vaak in medelijdende n zin, misschien naar aanleiding van vele middeleeuwsche sagen en spelen waarin de duivel vaak bedrogen, afgerost werd), een arme, domme, goede duivel;
— (plat) lichaam: iem. op zijn duvel qeven, komen, zitten; op zijn duvel krijgen, een pak slaag krijgen; (ook fig.);
— (nat. hist.) mandril; eene zeer wilde soort van buidelwolf (sarcophilus ursinuc);
— machine tot het reinigen van ongesponnen wol, katoen, ook wolf genoemd;
— (Zuidn.) dorschwerktuig. Duiveltje, o. (-s), het duiveltje in mijn binnenste, mijne kwade neigingen; Cartesiaansch duiveltje, zie DUIKERTJE.