Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Drogen

betekenis & definitie

DROGEN, (droogde, heeft en is gedroogd), droog laten worden we zullen de wasch op zolder drogen;

— droog worden mijne kleeren droogden spoedig;
— (onpers.) het droogt goed, de lucht is zoo, dat de voorwerpen spoedig droog worden;
— vruchten, visch enz. in verdroogden toestand brengen: gedroogde appelen; stokvisch is gedroogde kabeljauw;
— eene koe drogen, ze niet langer melken;
— borden drogen, droogmaken, afnemen met een doek;
— zijne handen drogen, aan een handdoek droog vegen. DROGING, v. (-en).