Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Donder

betekenis & definitie

DONDER, m. (-s), dreunend geluid dat met een bliksemslag gepaard gaat; (ook) onweder; rollende donder; de donder gromde; als van den donder getroffen, geslagen, geheel verbijsterd;

— de eerste donder in Maart, grijpt de elft bij den staart;
— er is donder aan de lucht, fig. er dreigen onaangenaamheden;
— in toepassing op geluiden, die aan den donder doen denken de donder van het geschut; de donder van dien geweldigen redenaar;
— in tal van aanwendingen als krachtwoord voorkomend wat donder is dat nu weer; kom hier voor den donder;
— daar kun je donder op zeggen, daar kun je vast op aan;
— je weet er geen donder van, totaal niets;
— je krijgt geen donder;
— hij met zijn dikken donder, lichaam;
— wacht, jou donder, ik zal je krijgen; ’t is zoo’n gemeene donder, kerel;
— ik heb op mijn donder gehad, op mijn lichaam, klappen, slaag gehad, (ook fig.) ik heb er van langs gehad;
— iem. op zijn donder geven, afrossen;
— opjedonder dat kun je begrijpen, dat krijg je niet;
— ook in samenst. als verwenschende benamingen donderhond, dondersteen.