Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Doek

betekenis & definitie

DOEK, o. als stofnaam: alle geweven stof, als vlag of dundoek, behangdoek, wasdoek, neteldoek, smaldoek; zeildoek, schildersdoek, zie aldaar; iets op ’t doek brengen, schilderen;

— (met mv.) schilderstuk: eenige doeken uit de Hollandsche school;
— vlag; tooneelscherm, inz. tooneelgordijn;

—, m. (-en), als voorwerpen.; een regelmatig gedeelte van een grooter stuk stof afgenomen tot een bepaald gebruik, vgl. hals-, zak-, hoofd-, omslag-, vaat-, handdoek;
— hij werd zoo wit als een doek, zeer bleek;
— luier, windsel: het kind Jezus, in doeken gewonden; een kind een schoonen doek geven;
— (Zuidn.) tem. in de doeken leggen, hem beetnemen, bedotten;
— een doek voor de oogen hebben, niet zien, verblind zijn. DOEKJE, o. (-s), kleine doek;
— (spr.) er geen doekjes om winden, ronduit ermede voor den dag komen;
— dat is slechts een doekje voor het bloeden, een uitvlucht, een verzinsel, (ook) waarachter men zijne spijt wil verbergen, een mooi praatje om het pijnlijke van iets, inz. een gezegde weg te nemen.