Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Dik

betekenis & definitie

Het begrip dik heeft 2 verschillende betekenissen:

1. dik - DIK, bn. en bw. (-ker, -st), waarvan de kleinste der drie gewone afmetingen betrekkelijk groot is eene dikke plank, een dik hoek; een dikke muur, deken; dik glas; eene dikke laag; dik ijs; eene dikke jas;
— dik gekleed, in dikke of met veel kleeren;
— (fig.) eene dikke huid hebben, ongevoelig voor verwijten enz.;
— (van staafvormige lichamen) eene betrekkelijk groote doorsnede hebbend: een dikke stok; een dikke balk; dikke armen, kuiten;
— dikke lijnen en strepen, niet dun;
— (met een bep. van maat, ook bij kleine afmetingen): een boom van drie voet dik; dit twijgje is nog geen kalven centimeter dik;
— de sneeuw lag een voet dik, in eene laag van een voet;
— 't vriest een steen dik, zeer hard;
— de dikke darm, karteldarm en endeldarm;
— een dikke appel, groot;
— een dik mensch, zwaarlijvig;
— eene dikke tante, zwaarlijvige vrouw;
— van groot en omvang, in ’t algemeen dikke tranen, zweetdroppels; dikke wangen; een dikke kop;
— (gew.) dikke steenen, de hunnebedden;
— (plat) een dikken buik krijgen, dik worden (vooral van zwangere vrouwen);
— opgezwollen een dik gezicht, eene dikke wang; een dikke vinger;
— (plat) zich dik eten, zat;
— (fig.) zich dik maken over iets, boos erover worden, zich opwinden;
— maak je niet dik, want dun is de mode, gezegd tegen iem. die zich opwindt;
— van groote dichtheid, zwaar: een dikke mist, nevel;
— dik weer, mistig, nevelig;
— dikke rook; dikke duisternis; eene dikke vacht;
— dicht, samengepakt dikke regenwolken;
— 't wordt dik, de lucht betrekt;
— de lucht is dik, met dikke regenwolken; -
— (zeew.) dik weer, weer dat het uitzicht moeilijk maakt;
— in groote hoeveelheid *t vee vindt hier dik gras;
— : een dikke honderd gulden, ruim honderd gulden;
— wij krijgen dik saus, volop regen;
— een dikke twintig jaar geleden, ruim twintig jaar;
— dikke vrienden zijn, door innige vriendschap verbonden (steeds eenigszine schertsend);
— dik in iets zitten, er overvloed van hebben; ook een dikke daghuur, groote;
— dubbel en dik, zeer veel, in ruime mate: iem. dubbel en dik betalen;
— (gew.) eene dikke koorts, hevige;
— een dikke boer, welgesteld;
— dik gezaaid, dicht in elkaar gezaaid, (en fig.) veel voorkomend;
— dik onder *t stof zitten, met eene dikke stoflaag bedekt;
— (van vloeistoffen) niet zeer vloeibaar de inkt wordt dik; eene dikke brij; zijn bloed is te dik, daardoor is hij zoo traag; dikke melk, (ook) geronnen melk;
— (gew.) dikwijls, vaak.

2. dik - DIK, o bezinksel in een aftreksel: dik van koffie, van chocolade;-
— ’t dik heeft geld gekost, scherts, uitdr. tot iemand die te veel koffiedik enz. in zijn kopje krijgt;
— (oliem.) prut, dik van lijnen raapolie;
— door dik en dun gaan, (eig.) door modder en plassen gaan; (fig.) op zijn doel afgaan, zonder op hindernissen te letten, of iets te ontzien;
— met den minister door dik en dun meegaan, hem volgen, steunen, hoever hij ook gaat;
— het dik van ’t been, de kuit.