Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Deftig

betekenis & definitie

DEFTIG, bn. bw. (-er, -st), tot den aanzienlijken, gegoeden stand behoorend en eene zekere waardigheid en statigheid van manieren vertoonend eene deftige matrone; de deftige stand; van deftige familie zijn;

— zooals men dat in den deftigen stand vindt, gewoon is deftige meubels, eene deftige begrafenis, deftig gekleed zijn;
statig, waardig, afgemeten deftige manieren; zich deftig uitdrukken; deftige woorden, deftige stijl;
— deftig doen, *t tegengestelde van familiaar zijn;
— (gemeenz.) geducht, danig ik heb hem deftig de waarheid gezegd, hem deftig afgerost;
— hij heeft hem deftig om, is knapjes dronken;
— (iron.) hij kwam deftig met de handen in den zak de kamer binnen, ongegeneerd.