Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Deelbaar

betekenis & definitie

DEELBAAR, bn. (rek.) zonder rest gedeeld kunnende worden: deelbare getallen; ‘t getal is deelbaar door zes; (nat.) de lichamen zijn deelbaar, kunnen in deelen gesplitst worden;

— (recht.) deelbare verbintenis, welke voor gedeeltelijke uitvoering vatbaar is. DEELBAARHEID, v. de deelbaarheid der stof; (rek.) kenmerken van deelbaarheid.