Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Dapper

betekenis & definitie

DAPPER, bn. bw. (-der, -st), zonder vrees in het gevaar (vooral in den strijd), kloek, stout: een dapper soldaat; zich dapper verdedigen; dapper strijden;

— flink zijn dapper wijfje bezorgt alleen de zaken; klein maar dapper; zij zongen er dapper op los;
— (Zuidn.) snel, vlug; (ook) flink, terdege;
— (gemeenz. bw. van graad) zeer erg ik ben dapper verkouden; hij is dapper afgerost. DAPPERHEID, v. onversaagdheid, moed.