Dak betekenis & definitie

DAK, o. (-en), dekstuk; (meestal) bedekking van een gebouw, bestaande uit de kap met bedekking pannen, leien, zink, ijzer, riet, stroo, rustende op de muurplaat of balklaag; — de zijden die schuin liggen en van boven elkander onder een zekeren hoek bij de noklijn naderen, of door een plat verbonden zijn heeten dakvlakken of dakschilden; — naar den vorm onderscheidt men gevel- of zadel-, schild-, tent-, mansarde-, toren-, of helm-, lessenaar(meestal afdak genoemd), terras-, zaagdak, zie die woorden en aandak en afdak; ook een beschoten dak, onder de bedekking met planken beschoten; — hard dak, pannen, leien enz.; — week dak, riet, stroo, zoden enz.; plat dak; — Duitsch dak, met 2 schuinsche vlakken of schilden; — Hollandsch dak, met 4 schilden; — (fig.) op dat huis ligt een papieren dak, of er liggen papieren balken onder, het is met hypotheek bezwaard; — onder dak komen, huisvesting bekomen; — hij is onder dak, goed bezorgd, (ook) zeer in zijn schik; — onder dak brengen, huisvesting bezorgen; (ook) aan den man brengen; — onder één dak wonen, hetzelfde huis bewonen; vrijen onder één dak is een groot gemak; — in het dak blijven (zitten of steken), vergeten worden; — (gew.) het weert op zijn dak, de omstandigheden zijn hem gunstig; — onder mijn nederig dak, in mijne eenvoudige woning; — iem. iets op zijn dak schuiven, sturen, toeduwen, (ook) hem er verantwoordelijk voor stellen; — iem. op zijn dak hebben, voor hem te zorgen hebben; — dat krijg ik op mijn dak, daarvan krijg ik de schuld, daar zal ik voor moeten boeten; — *t viel me koud op mijn dak, ’t was eene zeer onaangename verrassing; — iem. op zijn dak komen, zitten, hem een standje geven, (ook) hem slaan, ranselen; — (Zuidn.) het zal ook wel op zijn dak regenen, hij zal dat onaangename ook moeten ondervinden; — de speelman is van het dak, de wittebroodsweken, de dagen van pret zijn voorbij; — de speelman zit daar nog op het dak, men is er nog in de wittebroodsweken, in de dagen van rozengeur en maneschijn; — spreek daar niet verder over, er is te veel dak op ’t huis, of er zijn te veel pannen op het dak, of er zijn ratten op het dak, er zijn er te veel bij, die het niet mogen hooren, — de zaak ging van een leien dakje, liep met bekwamen spoed en zonder stoornis af; — iets van (op) de daken verkondigen, alom bekend maken, (Matth. X 27). Dakje, o. (-s, daakjes).