Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Dagelijksch

betekenis & definitie

DAGELIJKSCH, bn. wat iederen dag voorkomt zijne dagelijksche bezigheden; de dagelijksche omwenteling der aarde om hare as;

geef ons heden ons dagelijksch brood, wat wij eiken dag noodig hebben;
— ik heb mijn (het) dagelijksch brood, een matig, maar voldoend bestaan;
— in het dagelijksch leven, zooals men het dagelijks kan waarnemen;
— een dagelijksch burgermannetje, alledaagsch, gewoon;
— dagelijksch bestuur, dat deel van een besturend lichaam dat met de leiding der dagelijksche aangelegenheden belast is, b.v. burgemeester en wethouders eener gemeente;
— dagelijksch opzichter, de opzichter die voortdurend toezicht houdt op het werk;
— dat is dagelijksch werk voor hem, dat doet hij alle dag, daar is hij mee vertrouwd.