Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Cirkel

betekenis & definitie

CIRKEL, m. (-s), (meetk.) deel van een plat vlak, begrensd door een cirkelomtrek; in het dagelijksch leven meestal de cirkelomtrek, of minder streng kring: een cirkel beschrijven; voortbrengende cirkel, zie CYCLOÏDE; de groote cirkels, hebben hetzelfde middelpunt als de bol waarop zij getrokken zijn, de kleine cirkels niet;

— in een cirkel om-, ronddraaien; de quadratuur van den cirkel, zie RONDDRAAIEN, QUADRATUUR. Cirkeltje, o. (-s).