Capaciteit betekenis & definitie

CAPACITEIT, v. (-en), bekwaamheid, geschikt: heid, vatbaarheid iem. van (met) groote (veel) capaciteiten; — op zijne capaciteiten wil ik niets afdingen, op zijne kundigheden; — (van den bodem) de capaciteit voor water, het aantal K.G. water dat honderd K.G. droge grond opneemt voor hij verzadigd is; — de capaciteit eener rivier, de hoeveelheid water die eene rivier per sec. afvoert; — de capaciteit van eene machine, het vermogen, de kracht;

eene fabriek met geringe capaciteit, waar men niet veel vervaardigen kan; — warmtecapaciteit, zie aldaar.