Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

2018-09-01

Capaciteit

betekenis & definitie

CAPACITEIT, v. (-en), bekwaamheid, geschikt: heid, vatbaarheid iem. van (met) groote (veel) capaciteiten;

— op zijne capaciteiten wil ik niets afdingen, op zijne kundigheden;
— (van den bodem) de capaciteit voor water, het aantal K.G. water dat honderd K.G. droge grond opneemt voor hij verzadigd is;
— de capaciteit eener rivier, de hoeveelheid water die eene rivier per sec. afvoert;
— de capaciteit van eene machine, het vermogen, de kracht;
eene fabriek met geringe capaciteit, waar men niet veel vervaardigen kan;
— warmtecapaciteit, zie aldaar.